Een zomer met het kleine volkje

Je kunt er niet omheen: steeds meer auteurs maken gewag van hun waarnemingen van elementwezens. Het zijn niet-fysieke wezens, met een beperkt oordeels- en denkvermogen, maar met als taak alle levensprocessen op aarde te begeleiden.
Zo is er de Canadese Tanis Helliwell die vertelt hoe ze naar Ierland trok om er een maand lang tot bezinning te komen. Via diepe meditaties en eenzaamheid hoopte ze een ‘verlichte’ toestand te bereiken. In plaats daarvan ontmoet ze reeds op haar eerste dag in het huisje waar ze verblijft een gezinnetje ‘leprechauns’.
In Een zomer met het kleine volkje vertelt ze over haar gesprekken met deze kabouter en over diens oproep aan de mensheid om mee te werken aan een bescherming en herbronning van de aarde.
Maar er is ook de dubbeluitgave Gespräche mit Müller (Flensburger Hefte), ondertussen aangevuld met het boek Neue Gespräche mit den Naturgeistern van Verena Staël von Holstein en Friedrich Pfannenschmidt. (Een vertaling schijnt in voorbereiding te zijn.) In deze boeken brengen de auteurs verslag uit van hun gesprekken met natuurgeesten gedurende een periode van een heel jaar. Ook hier blijkt duidelijk dat de natuurgeesten met de mensen in gesprek willen komen!

Werner Govaerts
september 2004


Uittreksel uit Een zomer met het kleine volkje:
 “Hij bezocht onze wereld en deed onderzoek naar ons leven. Ik was jong, nog niet volwassen, en hing een beetje bij geleerden rond om stukjes en beetjes informatie op te pikken. Dat werd in onze wereld al als iets ongebruikelijks beschouwd, maar soms worden leprechauns geleerden. […] Die mens zag dat ik hem gadesloeg en liep op me toe. Ik was doodsbang. Van kinds af aan hadden we verhalen gehoord over hoe mensen onze energie stalen en de wereld doodden. Maar toch bewoog ik me niet. Naarmate hij dichterbij kwam, werd hij almaar groter – hij was ongeveer net zo lang als de leden van onze edelen-kaste, maar compacter en zwaarder. Hij had diepzwart haar en droeg een zwarte cape. Hij had iets van een tovenaar – heel intelligent en heel sterk.
‘Hallo, jongeman,’ begroette hij me.
‘Nou, zo jong ben ik heus niet!’ antwoordde ik een beetje beledigd zoals alleen jonge mensen dat kunnen zijn.
Hij gooide zijn hoofd naar achteren en lachte, waarbij ik het goud in zijn kiezen kon zien en vroeg: ‘Heb je al besloten welk pad je in je leven gaat nemen?’
[…] Hij leek mijn gedachten te lezen, iets waarvan ik dacht dat mensen dat niet konden, en zei: ‘De tijden veranderen, jongeman. Ik heb met jullie oudere geleerden erover gesproken, een groep op te richten van elementwezens uit alle verschillende kasten om met mensen samen te werken. We zijn op zoek naar wezen die voor zichzelf denken in plaats van klakkeloos anderen te volgen, en die nieuwsgierig en moedig zijn. Iets voor jou?’
Ik wist toen nog niet dat onze nieuwe kaste aanvankelijk belachelijk zou worden gemaakt en vervolgens door onze soortgenoten gevreesd zou worden. Had ik dat wél geweten, dan was ik er misschien nooit aan begonnen. Maar ik besefte dat ik bij een belangrijke tweesprong in mijn leven was gekomen en bepaalde keuzes moest maken. Ik richtte me in mijn volle lengte op, keek deze mens recht aan en zei: ‘Ja, dat wil ik wel proberen.’”