Voorbij de vertwijfeling. Geesteswetenschappelijke gezichtspunten omtrent zelfdoding

Rudolf Steiner heeft zich in zijn geschreven werk en in zijn voordrachten herhaaldelijk uitgelaten over zowel de oorzaken als de gevolgen van zelfdoding. Het is de verdienste van Maria von Nagy om deze citaten bij elkaar gezocht te hebben en vanuit haar eigen ervaringen in het justitie- en gevangeniswezen aangevuld te hebben tot een geheel.
Het boekje werd voor het eerst in 1953 gepubliceerd, als artikelenreeks in Das Goetheanum, en was tot voor kort enkel in het Duits beschikbaar. Gelukkig heeft de kleine antroposofische uitgeverij Perun Boeken nu voor een vertaling gezorgd. Het thema is immers nog altijd even actueel als vijftig jaar geleden, misschien zelfs nog méér, hoewel een aantal aanleidingen en oorzaken voor zelfmoord uit onze cultuur zijn verdwenen, terwijl er andere zijn bijgekomen. Vandaar ook de bijlage van Istvan van Vámosi Nagy, die een aantal voorbeelden van Maria von Nagy in hun juiste context plaatst en verder ook toelichting geeft bij de auteur zelf.
Eerlijk gezegd ben ik met groot voorbehoud aan dit boek begonnen. Ten eerste ben ik altijd beducht voor zogenaamde mirakeloplossingen, of die nu vanuit de antroposofie komen of vanuit een andere bron of overtuiging. Ten tweede ben ik – hout vasthouden – een van die (wellicht niet zo talrijke) mensen die nog nooit te maken hebben gehad met een zelfmoord in hun directe omgeving. Ik kan dus niet vanuit ervaring spreken, maar heb anderzijds ook geen onmiddellijke behoefte aan duiding of verduidelijking bij dergelijke ervaringen.
Toch was de lectuur van Voorbij de vertwijfeling niet alleen leerrijk, maar ook enthousiasmerend en een aanzet tot initiatief en activiteit. Von Nagy begint met een vrij saaie, en waarschijnlijk reeds lang achterhaalde typologie van zelfmoordcategorieën, met als ondertoon echter dat als je dit fenomeen met de ratio of de logica tracht te benaderen, je nooit ver zult komen. Dat kan al evenmin zolang je uitgaat van een visie waarin de wereld ontstaan is vanuit een ‘oerknal’ en op weg is naar een ‘warmtedood’, een wereldbeeld dat van meet af aan iedere zin van het leven onmogelijk maakt. Maria von Nagy toont ook aan dat precies hier een van de diepere oorzaken van het steeds maar stijgend aantal zelfdodingen in onze wereld ligt.
De antroposofie biedt een wereldbeeld waarin het aardeleven van de mens deel uitmaakt van een groter, zinvol geheel. Zo wijst Rudolf Steiner op verschillende plaatsen in zijn werk op de karmische – uit een vorig leven stammende – oorzaken van zelfmoord, hoewel hij in bepaalde gevallen ook heel duidelijk wijst op het gebrek aan zingeving en spiritualiteit in deze wereld als oorzaak voor zelfmoord. Daarnaast geeft hij een concrete veraanschouwelijking van wat er na  de dood gebeurt voor zelfmoordenaars, die in de zielewereld (zie het boek Theosofie) een nog veel pijnlijker afscheid moeten beleven van hun lichamelijkheid dan andere mensen. Het verrassend waardevolle van de antroposofie is dat dergelijke beschrijvingen en inzichten steeds volkomen oordeelsvrij worden uitgesproken, vanuit de wetenschap dat ook het leven en de dood van een zelfmoordenaar – en dus ook zijn pijn en zijn geestelijke ervaringen na de dood – ingebed zijn in een zinvolle ontwikkeling van het individu in kwestie.
Interessant is tevens de beschrijving van enkele levens waarbij het net niet tot een zelfmoord is gekomen of waarbij de zelfmoord mislukt is. In dergelijke biografieën kun je gaan zoeken hoe het leven zou voortgegaan zijn, mocht het niet door de drager ervan tot een einde zijn gebracht. Maria von Nagy wijst erop hoe in vele gevallen de oplossing voor de problemen die tot de zelfmoord geleid hebben, vaak al op de drempel van de deur stond en dat het gewoon een kwestie was van nog even geduld te hebben. Geduld en vertrouwen dat die oplossing je zal aangereikt worden vanuit de geestelijke wereld die onze oer-heimat is. In dit licht spreekt zij van de ontmoeting met de opgestane Christus, die voor meer en meer tijdgenoten een reële ervaring wordt (zie ook het boek Christuservaringen heden. Authentieke getuigenissen van tijdgenoten van de Zweedse theologen Gunnar Hillerdal en Berndt Gustafsson). Zo’n ontmoeting kan evenwel ook gemakkelijk verslapen worden, of zelfs tot grote verwarring leiden bij mensen die daar niet enigszins op voorbereid zijn door kennisname van de geesteswetenschap. Onze westerse spektakelcultuur blijft wat dat betreft uitermate in gebreke!
Uitgever Ton Jansen heeft aan het boek van Maria von Nagy een interessant nawoord toegevoegd, waarin hij niet alleen iets over de auteur vertelt, alsook over het thema ‘zelfdoding’ in het werk van Rudolf Steiner, maar waarin hij dit laatste ook uitspit op zoek naar manieren om de doden te helpen. Een citaat:
«Nauw met de veelbewogen gebeurtenissen van zijn tijd en met het lot van zijn medemens verbonden, heeft Rudolf Steiner bij verschillende gelegenheden middelen aangereikt om het contact met de gestorvenen te verzorgen en aan hun leven in de bovenzinnelijke wereld deel te nemen. Dit begint in feite al in de dagen direct na het overlijden, wanneer de gestorvene in de geestelijke wereld in de aanschouwing van zijn levenspanorama is verdiept. Gedurende deze tijd is de gestorvene een korte spanne tijds helemaal alleen met zichzelf, met datgene wat hij op aarde heeft beleefd. Direct contact met de gestorvene zou een verstoring van dit proces betekenen en is daarom in deze dagen niet gewenst. Wel kunnen de nabestaanden deze terugblik van de gestorvene ondersteunen door bijvoorbeeld liefdevol stil te staan bij de herinneringen die zij aan de dierbare overledene hebben. Ook het moment van de begrafenis of crematie, en vooral de woorden die daar gesproken worden, kunnen voor de zojuist gestorven mens van grote betekenis zijn.»
Vanaf de derde à vierde dag na de dood betreedt de gestorvene de zielewereld en wordt het contact tussen levenden en gestorvenen weer mogelijk. Ook hierover heeft Rudolf Steiner gesproken. Onder andere via gebeden, spreuken of meditaties kunnen nabestaanden aan het leven van de gestorvene in de bovenzinnelijke wereld deelnemen en zijn lot daar verzachten. Steiner heeft hiervoor spreuken, gebeden en meditaties gegeven, vaak voor concrete personen (tijdens de Eerste Wereldoorlog). Dergelijke spreuken zijn in het bijzonder van belang voor mensen die zelfmoord hebben gepleegd, daar juist zij het gemis van het fysieke lichaam in de zielewereld bijzonder sterk ervaren.
Het thema van contact tussen levenden en gestorvenen is natuurlijk veel ruimer dan wat in dit nawoord van Ton Jansen kan beschreven worden, maar tezamen met wat von Nagy zegt over de Christusimpuls en wat zij Steiner laat zeggen over het beleven van het Vader-principe in de middenfase van het leven, is het perspectief dat hij opent een krachtige stimulans om bewuster in het leven te staan, om spontaner getuigenis af te leggen van wat men weet, gelooft en beleeft en om nog meer begrip te ontwikkelen voor de liefdevolle wijsheid die in de kosmos werkzaam is.

Werner Govaerts
oktober 2004