Visie op het secundair onderwijs

Het onderzoeksrapport van Werner Govaerts mondt uit in een ernstig onderbouwd voorstel van curriculum voor de middelbare steinerscholen. Hij stelt dit niet voor ‘ter implementatie’ zoals dat in het hiërarchisch onderwijskundig jargon heet (iets wat achter een in bureau is bedacht op de werkvloer ingang doen vinden, willens nillens). Zoals ik hem ken, zou de idee alleen al hem maagkrampen bezorgen.
Hij stelt dit voor als aanzet tot een diepgaand gesprek over de vraag waar we in de steinerscholen mee bezig zijn. Gesprek betekent reflectie. In de terminologie van Kieran Egan zouden we kunnen zeggen dat we op een ironische wijze moeten kunnen kijken naar de  steinerpedagogie: zowel naar de theorie als de praktijk.
Gesprek is het zoeken naar een evenwicht tussen wat we ‘hebben’ en wat we ‘willen’, tussen gevonden vormen, tradities, opvattingen, gewoonten enerzijds en de  levende impulsen die ons handelen stuwen en ons aanzetten tot het nemen van initiatieven anderzijds. Resultaten van een goed gesprek zijn meestal nieuwe dingen die we verwerven (en dus hebben) en vernieuwing van impulsen en aanzet tot nieuwe initiatieven. Over de inhoud van dit curriculumvoorstel zal ik het niet hebben. 
Er wordt in dit rapport immers veel meer behandeld dan enkel dat.
Na lezing van dit rapport wordt meteen duidelijk dat het hanteren van een curriculum dat zich beroept op een antroposofisch mensbeeld en/of onbevangen fenomenologische benadering van kinderen nog geen steinerpedagogie is (het rapport suggereert dat we verwachten dat ‘het antroposofisch mensbeeld’ en ‘de onbevangen fenomenologische benadering van kinderen’ in de zelfde richting zullen wijzen).
Het rapport opent met de vraag naar de actualiteit van de steinerpedagogie. Gaat het hierbij om de actualiteit van wat we hebben of van wat we willen? De actualiteit van onze werkvormen, ons leerplan, ons curriculum, onze tradities, gewoonten … of de actualiteit van een pedagogie die wil uitgaan van de geestelijke realiteit van de mens zoals deze zich o.a. uitdrukt in de ontwikkeling van het kind? Een pedagogie die vanuit dit uitgangspunt wil opvoeden tot mensen die over voldoende kennis, inzichten en vaardigheden maar ook idealisme, enthousiasme en moreel vermogen beschikken om in deze tijd en op deze plaats (die steeds groter wordt) als sociale wezens hun weg kunnen vinden?
Ik meen uit Werners rapport te kunnen opmaken dat aan de actualiteit van dit laatste niet wordt getwijfeld, integendeel. Er wordt eerder de vraag gesteld of wat we in de loop van de geschiedenis van de steinerpedagogie aan hebbedingen hebben verzameld, nog allemaal even actueel is (zonder hierbij bij voorbaat te stellen dat ‘traditie’ synoniem is voor ‘achterhaald’ en ‘nieuw’ voor ‘beter’).
Als vernieuwingsdrift het haalt van de gave des onderscheids ten aanzien van wat waardevol, relevant is en wat niet, dan zijn we slechts op de vlucht voor onze leegte (of onze niet vrijblijvende volheid ) …
Opdracht van de steinerscholen is het realiseren van een pedagogische en sociale impuls en dat zowel in de school als buiten de school.
Het vertegenwoordigen van de steinerpedagogie op pedagogische, wetenschappelijke en politieke fora (zoals dit in het citaat van Christoph Gögelein genoemd wordt) is niet enkel nodig om er de belangen van steinerscholen te behartigen.
Onze blik moet daarom steeds in twee richtingen gaan: naar datgene waarmee we in de school bezig zijn, maar tegelijk naar de maatschappelijke, pedagogische, wetenschappelijke, politieke werkelijkheid waarbinnen we aan deze pedagogie werken.
Steinerpedagogie vertegenwoordigen op maatschappelijke fora moet verder reiken dan het beklemtonen, verklaren en verantwoorden van ons anders-zijn. Zo presenteren we onszelf te sterk als een afwijkend curiosum. Bovendien is de verleiding hierbij groot dat we vooral wijzen op de uiterlijke verschillen, namelijk op dat wat we hebben: methodes, principes, gewoontes, tradities …
Het waarom ervan wordt afgedaan met een gesluierde verwijzing naar ‘ons’ antroposofisch mensbeeld.
We moeten echter ook weten waarin we op fundamenteel niveau van anderen verschillen. We delen immers hetzelfde menszijn, worden geconfronteerd met dezelfde vraagstukken (we voeden op in dezelfde tijd, op de zelfde plaats, het gaat om kinderen die dezelfde uitdagingen en problemen delen…).
Het anderszijn van de andere is een spiegel: hoe dieper we daarin kijken, hoe dieper we iets over onszelf te weten komen. In de spiegel kijken vraagt enig ironiserend vermogen.
Maar ook moeten we de moed opbrengen ook de andere een spiegel voor te houden door ons anderszijn (of beter: door op een authentieke wijze onszelf te zijn). Hiertoe volstaat het niet overtuigd te zijn van onze waarde. We moeten deze waarde ook laten blijken. We moeten de pedagogie niet verklaren door onze fasenleer, we moeten onderbouwen dat ook in het derde millennium er gronden zijn om rekening te houden met scharniermomenten in de ontwikkeling waarin zich kwalitatieve veranderingen voltrekken. Zowel wetenschappelijk als fenomenologisch (op basis van ervaringsdeskundigheid).
We moeten de steinerpedagogie ook funderen vanuit wat we met alle mensen gemeenschappelijk hebben.
De vraag: “Waar staan wij met onze huidige pedagogische praktijk en haar fundamenten in deze tijd, in deze samenleving?”, is een vraag die in elk bovenbouwcollege zou moeten leven. Ook deze band met de brede werkelijkheid moeten we onderhouden. We zijn dat trouwens  aan de jongeren die we helpen opvoeden verplicht.
Ten aanzien van het curriculumvraagstuk is dit onderzoeksrapport op dit vlak van enorm belang. Pogingen als deze om datgene wat we doen op een toegankelijke manier te funderen én te situeren in een breder wetenschappelijk en maatschappelijk kader, worden veel te weinig ondernomen.
Tenslotte: bijzondere aandacht is ook nodig voor een sociaal gezond evenwicht tussen wat we aan individuele impulsen en initiatieven in brengen en wat we gemeenschappelijk ‘hebben’. Soms toont zich een zekere paradox: enerzijds wordt ontzettend veel beroep gedaan op de vrijheid van de leraar terwijl anderzijds ontzettend nauwgezet alle richtlijnen (soms tot in details) van Steiner worden opgevolgd en weinig wordt afgeweken van wat in het gewoonteleven van een school is ingeslepen (en eigen initiatief en creativiteit worden teruggehouden). Misschien komt dit eerder voor in een onderbouw, maar het stemt hoe dan ook te nadenken.
Toch moeten we bedenken dat pedagogische vrijheid geen recht van de leraar is, maar een recht van het kind. Vrij is slechts de mens die op elk ogenblik van zijn leven in staat is zichzelf te volgen en handelt uit inzicht (en dus in staat is zijn handelen te verantwoorden). We hebben allemaal nog een flinke weg af te leggen om vrije mensen te worden in deze zin.
Maar niets helpt ons beter in onze ontwikkeling tot deze vrijheid dan in gesprek met anderen tot afspraken te komen (of bestaande afspraken te verbeteren) en ons dan in te spannen ons aan deze gemaakte afspraken te houden.
Een gesprek over een gezamenlijk curriculum is daarom in meerduidige zin van groot belang.

Hans Annoot
februari 2003