Oude en jonge zielen

Wat volgt, is de toespraak die vertaler Lieven Debrouwere gaf ter gelegenheid van de presentatie dit boek op 14 maart 2010 in Den Haag.

«Geachte dames en heren, beste oude en jonge zielen,
Ik moet u iets bekennen. In de stad waar ik ben opgegroeid staat een oorlogsgedenkteken. Daarop staat in koeien van letters te lezen: aan de slachtoffers van de Duitse cultuur. Het zal u niet verbazen dat ik op school nooit één woord Duits gehoord, laat staan geleerd heb. De afkeer voor alles wat Duits was, hing als het ware overal in de lucht en ik ademde ze als kind met volle teugen in. Het zou dan ook 25 jaar duren voor ik mijn eerste Duitse boek las. Met een

prismawoordenboekje in de hand, spelde ik het zin voor zin uit. Dat boek was Christussucher und Michaeldiener van Hans Peter van Manen. Nog eens 25 jaar later zou ik dat boek vertalen, nog altijd met hetzelfde prismawoordenboekje in de hand. Die vertaling is het die hier vandaag aan u wordt voorgesteld.
Waarom vertel ik u dit? Niet om mij te verontschuldigen voor de vele vertaalfouten, want ik maak mij sterk dat u ze niet zult aantreffen. Nee, ik leg deze bekentenis af om duidelijk te maken hoe enthousiast dit boek mij heeft gemaakt, en hoe dat enthousiasme erin geslaagd is bergen te verzetten, bruggen te slaan en grenzen te overschrijden. Ik begrijp nog altijd niet goed hoe ik ertoe gekomen ben Christussucher und Michaeldiener te lezen en het daarna ook nog eens te vertalen. Maar het is gebeurd. Ik begrijp ook nog altijd niet goed waarom Werner Govaerts meteen bereid was de vertaling uit te geven. Maar hij heeft het gedaan. En ten slotte kan ik nog altijd niet goed geloven dat wij hier nu in hartje Nederland staan om die vertaling voor te stellen. Maar naar verluidt dromen wij niet.
Het thema van de oude en de jonge zielen wekt enthousiasme. Dat bewijst deze vertaling. Het wekt echter ook weerstanden. Daarvan getuigt het feit dat dit boek dertig jaar onvertaald is gebleven. Dat is beslist geen toeval. Het zielenthema herinnert ons aan de kloof die dwars door de mensheid loopt. Het vestigt onze aandacht op de wonde waaraan we allemaal lijden en waarvan we de blik onwillekeurig afwenden. Maar hoe pijnlijk deze wonde ook is, ze is tevens de bron van onze diepste vreugde. Ze schept namelijk ruimte voor vrijheid, ze is de baarmoeder waarin we ons ontwikkelen tot vrije, scheppende geesten. Daarom bestaan er ook oude en jonge zielen: opdat ze elkaar zouden kunnen bevruchten en samen de vrije mens gestalte geven.
Die bevruchting heeft in het verleden vaak het karakter van een felle strijd gehad, ook binnen de antroposofische beweging. Maar de tijd is gekomen om door dit gewelddadige uiterlijk heen te kijken, en door te dringen tot de sfeer van de scheppende krachten, waar oude en jonge zielen elkaar werkelijk ontmoeten. Voor ons moderne bewustzijn is dat geen pretje, want het is hard en kil als ijs. Het moet eerst ontdooien in de golven van de etherwereld en dat voelt aan alsof duizend naalden ons doorboren. Maar wat een verrukking als het bloed weer door ons denken begint te stromen en we – hoe stuntelig ook – meebewegen met de dans der scheppingskrachten! We beleven dan hoe de strijd verandert in een spel, en hoe de tegenstelling tussen oude en jonge zielen tot een onuitputtelijke bron van vreugde wordt.
Deze stap over de drempel is echter geen sinecure. Struikelen is eerder regel dan uitzondering. Daarom doen we er goed aan onze stappen zo klein mogelijk te maken. Toen Friederike van Manen me om suggesties vroeg voor de muzikale omlijsting van deze middag, dacht ik meteen aan het slotkoor van Beethovens negende, de Ode aan de Vreugde. Dat bleek echter nogal wat logistieke problemen op te leveren, en dus stelde ik een veel kleinere ode aan de vreugde voor: het andante uit één van Beethovens klaviersonates, met name de pastorale. Welk instrument belichaamt sprekender de samenwerking tussen oude en jonge zielen, dan juist de piano, waarop de linker- en de rechterhand ieder hun partij spelen en toch eendrachtig samenwerken. En welke componist heeft welluidender de baanbrekende wil van de oude zielen verzoend met de kinderlijke innigheid van de jonge zielen, dan juist Beethoven.
In dit andante – dat we zo meteen zullen horen en dat trouwens één van Beethovens lievelingsstukken was – kunnen we, met enige verbeelding, beluisteren hoe een oude en een jonge ziel samen gaan wandelen. De jonge ziel is nog een kind en neemt kleine stapjes aan de hand van grote broer met zijn lange benen. Af en toe houden ze stil, omdat het kind afgeleid is door een bloem of een vlinder. Grote broer wacht dan even, maant het kind aan om verder te stappen, en ... daar gaan ze weer! Halverwege deze muzikale wandeling vindt er een gesprek plaats tussen het onbekommerde kinderhart en de oudere ziel die het ernstig toespreekt en zelfs af en toe zijn stem verheft. Daarna vervolgen ze weer hun weg, maar ze zijn dichter tot elkaar gekomen en er stijgt een jubelend gevoel op in hun hart. De muziek, die tot nog toe zeer klassiek en gedisciplineerd was, viert nu even de teugels en krijgt iets swingends, alsof de vreugde van de vrijheid erin doorklinkt.
Met deze kleine ode van een grote Duitser is een cirkel rond. Want in de stad waar ik ben opgegroeid – u weet wel, de stad die zo sterk meevoelt met de slachtoffers van de Duitse cultuur – staat nog een ander gedenkteken. Het is veel kleiner dan het oorlogsmonument en weinig mensen weten waar het zich bevindt. Het markeert de plaats waar ooit Lodewijk van Beethoven woonde, de grootvader van. Ja inderdaad, Beethoven had Vlaamse roots, hij was afkomstig uit Mechelen, ooit de trotse hoofdstad der Nederlanden, nu een slaperige provinciestad halverwege tussen Antwerpen en Brussel. Ik heb als kind meer dan eens voor die kleine gedenkplaat gestaan, halfdronken, niet van vreugde, maar van de bierwalmen. Want de van Beethovenstraat liep – kan het Vlaamser? – dwars door een brouwerij. U begrijpt mijn trots.
Weet u trouwens waarom wij bier drinken uit vierkante glazen? Om geen kringen te maken op tafel. Dat was de Belgenmop waarop Hans Peter van Manen mij postuum trakteerde toen ik zijn uitvaartplechtigheid bijwoonde. Ik ben oprecht blij hem deze grap vandaag betaald te kunnen zetten. Want weet u wat de bijnaam van de Mechelaars is? U zult het niet geloven, maar Mechelaars zijn … Maneblussers. Ja, de draden van het karma vormen een wonderlijk weefsel. Degene die aan het weefgetouw zit, en ons, oude en jonge zielen, als schering en inslag door elkaar haspelt, is niet alleen een Groot Kunstenaar, hij is ook een Groot Humorist. Ik wil hem hierbij uit de grond van mijn hart bedanken, evenals Hans Peter, Friederike, Berenike, Werner, Bert, Hilaire, Marcel, en last but not least, de jonge ziel waarmee deze oude ziel al 25 jaar in gesprek is, mijn vrouw An. Ik dank u allen voor uw aandacht.