Der lebendige Rudolf Steiner. Eine Apologie

Deze recensie verscheen in Antroposofie Vandaag van winter 2008.


«Men moet zich bij het beleven tegenover de idee kunnen plaatsen;
zo niet, dan wordt men door de idee geknecht.»
(Rudolf Steiner, laatste zin van het voorwoord bij
de eerste druk van Filosofie van de vrijheid)



De meest lezenswaardige boeken zijn ongetwijfeld diegene die uit woede en/of bevlogenheid tot stand zijn gekomen. Der lebendige Rudolf Steiner. Eine Apologie van Mieke Mosmuller is zo’n gedreven boek. Het werd geschreven ter verdediging van Rudolf Steiner.
Auteur Mieke Mosmuller vindt dat Steiner verdedigd moet worden tegen de aanvallen, die hem volgens haar vooral vanuit de antroposofische beweging zelf worden toegebracht.
En om maar meteen de tegenstanders bij naam te noemen (Mosmuller zelf doet dat pas in het laatste gedeelte van haar boek):

1. de Antroposofische Vereniging in het algemeen, maar dan vooral het internationaal bestuur in Dornach, alsook het bestuur van de afdeling in Nederland;
2.
Renatus Ziegler en Michael Muschalle, met hun recente publicaties over de Filosofie van de vrijheid – respectievelijk Intuition und Ich-Erfahrung en Beobachtung des Denkens – waarin Ziegler en Muschalle, beide op een andere wijze, betogen dat Steiners stelling uit het derde hoofdstuk van zijn basiswerk, namelijk dat je je eigen denken alleen maar achteraf kunt waarnemen en nooit tegelijkertijd, letterlijk moet worden genomen, in die zin dat het volgens hen onmogelijk is je eigen denken op het moment van het denken zelf waar te nemen;[1]
3. ongeveer de gehele redactie van het Duitse antroposofische tijdschrift Info3, lieden die beweren dat je ook ingewijd kunt worden achter je computerscherm, maar vooral lieden die beweren dat Rudolf Steiner racistische uitspraken heeft gedaan en dat je daar maar best afstand van neemt;[2]
4. Judith von Halle, die met haar boeken en voordrachten over haar eigen stigmata een misleidend beeld schept van antroposofie en het Christusbegrip in de antroposofie;[3]
tot slot de aanvallen van buitenaf, die Mosmuller de minst belangrijke vindt, en waaraan ze dan ook geen woorden vuilmaakt.

Overzicht van de inhoud
In het eerste deel van haar boek beschrijft Mosmuller het leven en de ontwikkeling van Rudolf Steiner. Ze treedt daarbij in de voetsporen van menig actueel biograaf van Rudolf Steiner: het zijn niet langer de daden die hij gesteld heeft, noch de inhouden die hij heeft meegedeeld, die bepalend zijn voor dat levensoverzicht, maar wel de ontwikkeling die Steiner tijdens zijn leven zelf heeft doorgemaakt. Deze “nieuwe benadering” (tussen aanhalingstekens, want bijvoorbeeld Sergej Prokofieffs biografische beschrijvingen in deze zin dateren al van de jaren tachtig van de vorige eeuw) is tekenend voor de actuele perceptie van Rudolf Steiner. In die zin is Mosmuller tijdgenoot, kind van haar tijd ook.
Maar er is meer. Op tweeërlei wijze. Ten eerste neemt Mieke Mosmuller dit biografische gegeven als aanleiding om op haar manier het levende denken, door Steiner in zijn Filosofie van de vrijheid gegrondvest, te beschrijven en te beoefenen. Dat doet ze overigens op een meesterlijke wijze! Ten tweede echter zijn deze beide verhalen – de biografie en het denken over het denken – doordesemd en doordrenkt van vijandigheid, in de allereerste plaats tegenover de Antroposofische Vereniging, die volgens Mosmuller compleet gesclerotiseerd is en noch met het levende vrije denken noch met antroposofie (nog) iets te maken heeft. Daardoor krijgt bijna het hele eerste hoofdstuk een pamflettaire stijl. Zelf hou ik daar wel van maar ik kan me voorstellen dat een heel aantal lezers zich daaraan stoort, ook als je de denktrant en de oordelen van de auteur in min of meerdere mate kunt volgen. Nergens komt er immers ook maar één spoortje van begrip of welwillendheid ten aanzien van mensen die volgens Mosmuller van het rechte pad zijn afgeraakt. Daardoor wordt – volgens mij, en hopelijk, onbewust – een sfeertje gecreëerd waarbij het lijkt alsof alléén Mieke Mosmuller iets van Rudolf Steiner begrepen heeft, en alle anderen kwaadwillige handlangers van Ahriman zijn. Als je er echter in slaagt die stijl van haar en dat sfeertje te negeren, dan reikt Mosmuller veel en ook nieuwe handvaten aan om die (denk)scholingsweg effectief te gaan. Ikzelf heb er in ieder geval veel aan gehad, omdat ik erin geslaagd ben me vooral te amuseren met de scherpe kritiek die de auteur op haar omgeving uit, zodat er geen ergernis in de weg zat om ook het waardevolle te kunnen ontdekken.
In het tweede en derde deel van het boek gaat Mieke Mosmuller op zoek naar de levende Rudolf Steiner. Reeds in haar woord vooraf geeft Mosmuller drie bronnen aan die kunnen leiden tot een (betere) kennis van wie Rudolf Steiner was:
  1. de, weliswaar onvolledige autobiografie die Rudolf Steiner zelf geschreven heeft, aangevuld met ettelijke andere biografieën door andere auteurs;

  2. de boeken en de gestenografeerde voordrachten die Rudolf Steiner naliet, alsook de artikels en brieven die hij gescheven heeft;

  3. de realisaties van Rudolf Steiner: een internationale Antroposofische Vereniging, met centrum in Dornach, enz.

Mosmuller heeft het echter over nog een vierde bron, waaruit niet zo meteen kan geput worden, omdat ze eerst nog moet worden opengelegd. Terwijl de eerste drie bronnen voor iedereen toegankelijk zijn, is de vierde voor bijna iedereen gesloten. De vierde bron opent immers de mogelijkheid om in het innerlijke wezen van Rudolf Steiner te schouwen. Daartoe is het nodig dit wezen niet langer Rudolf Steiner te noemen, aangezien Rudolf Steiner slechts één incarnatie van dit wezen betrof. Inhoudelijk kan hier weinig over gezegd worden in een recensie als de deze, ten eerste omdat alles zeer contextgevoelig is, ten tweede omdat deze inhouden ook een erg hoog esoterisch gehalte hebben, waar ik niet zomaar eventjes een citaat of een fragment kan uitlichten. Er moet hier wel onderstreept worden dat dit gedeelte van het boek de kern ervan vormt en tevens de centrale waarde. Mosmuller stelt zich uiterst kwetsbaar op en dat is tegelijk de kracht en de authenticiteit waarmee zij dit relaas van een spirituele zoektocht vertelt.
Het vierde gedeelte ten slotte gaat openlijk en bloot over de reeds in de inleiding van dit artikel genoemde ‘tegenstanders van de antroposofie’. In tegenstelling tot de rest van het boek, waar pamflettair en badinerend over die tegenstanders wordt gedaan, wordt het hier bloedernstig. Dat wil niet zeggen dat Mosmuller zorgvuldig argumenteert (integendeel zelfs) – het gaat over de stijl en de sfeer die serieus zijn. Terwijl ik in de eerste drie delen van het boek me nog kon amuseren met Mosmullers aanvallen tegen links en rechts, werd het me in het vierde gedeelte zo gortig dat ik wel zou durven stellen dat als dit gedeelte vooraan in het boek had gestaan, ik niet eens de moeite had genomen om de rest ter kennis te nemen.

Conclusies
De moeilijkheid met dit boek is dat ik het eenieder zou willen aanbevelen, omwille van de tweevoudige diepgang – namelijk de wijze waarop Mosmuller het levendige denken beschrijft en tevens de wijze waarop zij het wezen van Rudolf Steiner tracht te doorgronden. De manier waarop Mosmuller getuigt van haar eigen zoektocht en scholingsweg om dichter bij dit geestelijk wezen te komen, evenals de omzichtigheid en de authenticiteit waarmee ze dit wezen beschrijft, staat echter in schril contrast met de open vijandigheid waarmee zij andere zoekers typeert. Daarbij stel ik mij de vraag hoe het mogelijk is dat iemand van dit “niveau” zich inlaat met zwart-wit-oordelen ten aanzien van andere auteurs, journalisten, antroposofen die volgens haar afwijken van een (het?) juiste begrip van de antroposofie. Tegelijk realiseer ik me dat ook Steiner zelf dit bij herhaling heeft gedaan en dat juist daardoor heel wat van zijn voordrachtwerk, maar ook van zijn geschreven werk, voor vele hedendaagse mensen zo moeilijk toegankelijk is (om niet te zeggen dat ze het niet kunnen pruimen). Doordat Mosmuller deze stijl van Steiner overneemt, is zij allesbehalve een kind van haar tijd – dat is uiterst tegenstrijdig met haar moderne perceptie van de biografie en de ontwikkeling van Rudolf Steiner. Die tegenstrijdigheid kan vanuit het boek zelf niet verklaard worden, maar laat mij als lezer wel met erg dubbele gevoelens achter.
In het vierde gedeelte van haar boek stelt Mosmuller dat waarachtigheid de allerbelangrijkste voorwaarde is voor wie toegang tot de geestelijke wereld wil verkrijgen. We moeten dan ook aannemen dat Mosmuller waarachtig is met zichzelf en haar eigen denken wanneer ze de Antroposofische Vereniging, Info3, Judith von Halle enz. de grond inboort. Mijn vraag daarbij is of de onzelfzuchtigheid of de deemoed – toch ook vereisten op het pad naar de geestelijke werkelijkheid – hier niet wat weinig aanwezig zijn. Nog zonder in te gaan op de inhoudelijke argumenten van Mosmuller – ik voel niet de behoefte ieder oordeel van haar te weerleggen, onder meer omdat er altijd ook een facet van de waarheid in schuilt – stel ik mij de vraag of haar hardvochtigheid ten aanzien van wie zij tot haar of Steiners tegenstanders verklaart, niet een enorm grote hindernis vormen in haar geestelijke zoektocht. Of heeft zij die hardvochtigheid juist nodig om tot de geweldige inzichten te komen die zij in het tweede en derde gedeelte van haar boek beschrijft? [Bedenking daarbij: dat kan dan op zich als waarschuwing van formaat gelden: wie stappen doet in de richting van de geestelijke wereld, verliest de facto al zijn vrienden ...]
Om dit alles toch even te illustreren, wil ik tot slot een voorbeeld geven van Mosmullers onzorgvuldige argumentaties in het vierde gedeelte, maar eigenlijk in alle paragrafen waarin zij het over de zogenaamde vijanden van Steiner en van de antroposofie heeft. Mosmuller stelt helemaal op het einde van haar boek dat wie (zoals zij !) geleerd heeft in de reële antroposofie te leven, het (zoals zij !) in de Antroposofische Vereniging niet uithoudt. Ik vertaal een citaat:
«Ik moet hier nog een vijandschap van de waarachtige antroposofie bespreken, en dat is de interne oppositie binnen de Vereniging, binnen de individuele mensen zelf, die geheel ‘reguliere’ antroposofen zijn. Deze oppositie is verhuld en is deels bewust, deels onbewust een anti-antroposofie. Ze manifesteert zich tot in het bestuur. Dat dit het geval is, volgt duidelijk uit het feit dat enkele bestuursleden mede als eersten de discussietekst ‘Racismeverwijten tegen Rudolf Steiner. Ontwerp van een memorandum’, opgesteld door Ramon Brüll en Jens Heisterkamp, hebben ondertekend. Later werd door de bestuursleden weliswaar gezegd dat dit ondertekenen alleen het proces en de gewenste discussie betrof en niet de ontwerptekst. Maar ze hebben hem toch maar ondertekend.
Het is de gerealiseerde onwaarachtigheid wanneer bestuursleden van een Vereniging, die de Antroposofie zou moeten dienen, het vertrouwen in de oprichter ervan openbaar opgeven.»

Mijn probleem met zo’n passages is in de eerste plaats een pars pro toto: een deel van het bestuur stelt een handeling die niet strookt met de inzichten van Mosmuller en meteen wordt er van een interne oppositie en een anti-antroposofie gesproken. De gedachte dat die mensen zich misschien gewoon vergist hebben en dat op een of ander later moment ook wel weer zullen rechtzetten, komt bij Mosmuller niet op, laat staan de gedachte dat de gewraakte memorandumtekst in de huidige context – het Duitstalige cultuurgebied anno 2008, met alles wat daar aan pers en openbaar discours bijhoort – ook wel eens een nuttige of positieve functie zou kunnen hebben. Tot slot is ook de conclusie dat deze bestuursleden door het ondertekenen van die tekst het vertrouwen in de stichter van de Antroposofische Vereniging hebben opgegeven, niet gerechtvaardigd. Dat is zelfs een beschuldiging die op haar beurt van kwade trouw zou kunnen getuigen.
Er zal – zo hoop ik – toch wel geen enkel lid van de Antroposofische Vereniging zijn die in de overtuiging leeft dat hij lid is van de meest perfecte, of zelfs heilige vereniging op aarde. Integendeel, we zien allemaal gebreken en fouten (in de eerste plaats bij anderen natuurlijk). En de gebreken en de fouten van hen die op het voorplan staan – het bestuur, auteurs, voordrachtgevers, ... – zijn uiteraard zichtbaarder dan die van andere leden. Zolang er geen sprake is van malversaties, machtsconcentratie of machtsmisbruik en dergelijke, zullen dergelijke fouten van goedmenende en zoekende mensen mij alvast niet beletten lid te blijven van de ngo die mij het allerliefst is, gewoon omdat het de enige is die met verstand van zaken de spirituele ecologie verdedigt waaraan onze wereld nood heeft. Daarbij ben ik mij volkomen bewust van het feit dat “de leden van de Antroposofische Vereniging een groep van mensen zijn die even onvolkomen zijn als de leden van de rest van de mensheid” (een stelling van Mosmuller, blz. 221). De vraag die ik aan Mieke Mosmuller zou willen stellen, is waarom zij het de leden van de Antroposofische Vereniging zo kwalijk neemt dat ze onvolkomen zijn, zeker als zij daarin op geen enkele wijze verschillen van “de rest van de mensheid”. Of stuurt Mosmuller aan op een nieuwe soort van misantropie? Of op een scheiding van de zielen?
Mij baserend op haar betoog in verband met het levende denken en de mogelijkheden van elk mens hierin, denk ik dat dit niet het geval is. Wat is dan wel het geval? Ik vermoed dat Mosmuller zich eens flink heeft laten gaan (zoals ik dat zelf bij gelegenheid ook wel eens graag doe). We kunnen maar hopen dat de meest hoogstaande inzichten omtrent het denken, de antroposofie en het wezen van Rudolf Steiner die zij in dit boek formuleert, bij haar op een bewustere en grondiger verwerkte wetenschap berust, dan de wartaal die ze over de maatschappelijke en vereningscontext van de antroposofie debiteert. Zoals wanneer ze stelt dat antroposofen nooit uit zichzelf spreken, of nooit vanuit zichzelf iets ondernemen. Als je zoiets leest, kun je toch moeilijk anders dan meewarig glimlachen en hopen dat de schrijfster behalve haar eigen gedachten toch ook nog eens de werkelijkheid om zich heen in ogenschouw zal nemen ... 
Werner Govaerts
oktober 2008


[1] Mosmuller is het hier niet mee eens en verdedigt in dit boek met verve hoe je de denkscholing zo kunt voeren dat je tot een waarachtig levend denken komt, dat wel degelijk op het moment van het denken zelf al denkend is waar te nemen.

[2] Ook hiermee is Mosmuller het niet eens: zo beschrijft ze reeds in het eerste hoofdstuk van haar boek hoe zij uit de Antroposofische Vereniging in Nederland is getreden toen het bestuur zich publiekelijk verontschuldigde voor enkele uitspraken van Rudolf Steiner die volgens een speciaal daartoe geïnstalleerde commissie als racistisch zouden kunnen worden opgevat.

[3] Hierop wordt in dit boek niet verder ingegaan, aangezien Mosmuller aan von Halle een heel boek heeft gewijd, namelijk Stigmata und Geist-Erkenntnis. Judith von Halle versus Rudolf Steiner.