Globalisering en de verantwoordelijkheid van Amerika

Met hooggespannen verwachtingen heb ik het boek Globalisering en de verantwoordelijkheid van Amerika van Jesaiah Ben-Aharon (uitg. Kamerling, Zutphen, 2004) in enkele dagen tijd uitgelezen. Ik herinnerde me immers bijna tien jaar geleden ondersteboven geweest te zijn van zijn andere boek, De spirituele gebeurtenis van de twintigste eeuw. Een imaginatie. Dat boek wierp toen een geheel nieuw licht op de rampzaligheden van de Tweede Wereldoorlog, zodat ik nu hoopte iets soortgelijks te vinden met betrekking tot de miserabele, actuele toestand van de wereld.
Mocht ik dit vorige boek van de auteur niet gelezen hebben, dan zou ik in dit tweede boek niet verder zijn geraakt dan het tweede hoofdstuk. Ik viel van de ene verbazing in de andere toen ik las hoe Ben-Aharon – die jarenlang actief was in de Israëlische kibboets-beweging, maar ook een tijd lang in de Verenigde Staten heeft gewoond – Amerika als land, als ideaal en als staat ophemelde tot ver boven al wat men nog als redelijk zou kunnen aannemen van een burger van een staat die bestaat en overleeft bij de gratie van de Verenigde Staten.
Maar dan begint het echter pas. Gedocumenteerd met allerlei cijfers en uitgelekte vergaderverslagen toont Ben-Aharon aan hoe er de laatste decennia geen ramp op aarde heeft bestaan zonder dat Amerika daar op een of andere manier een belangrijke rol in heeft gespeeld. Het best gedocumenteerd is hij wat de financieel-economische meltdown van Zuid-Oost-Azië in 1997-98 betreft, maar ook inzake Afrika en Rusland wijst de auteur erop hoe Amerika via zijn concrete acties steevast het tegendeel bereikt van wat het (zogenaamd?) wil bereiken, nl. grotere welvaart en democratie voor iedereen. Het besluit van Ben-Aharon is dan ook dat het politiek en economisch beleid van Amerika momenteel 180 graden afwijkt van wat Amerika zou kunnen en zou moeten betekenen voor de wereld. 180 graden: er zijn krachten aan het werk die het tegengestelde nastreven van wat Amerika in essentie de wereld te bieden heeft. En het zijn die krachten die momenteel het monopolie hebben inzake macht.
De redacteurs van uitgeverij Kamerling verontschuldigen zich in hun nawoord voor de hoeveelheid cijfers in dit eerste gedeelte van het boek. Zelf bleef ik echter wat op mijn honger zitten: er staan inderdaad te veel cijfers in om vlot te lezen, maar ook net te weinig om een volledige bewijskracht te hebben. In andere andersglobalistische literatuur – boeken en tijdschriften – wordt de verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten voor (veel van) de miserie op onze planeet op veel overtuigender manier aangetoond dan hier. Mijn advies is dan ook: als je je reeds een beetje andersglobalist voelt, regelmatig Mo* leest of Le Monde diplomatique, laat dan dit eerste deel ongelezen: het brengt je niets bij wat je nog niet wist en het doet je alleen maar afvragen waarom de auteur dit toch heeft willen toevoegen aan zijn eigenlijke ideeën.
Die ideeën vind je in het tweede deel, waarin hij het heeft over de individualisering als kracht en kans van onze tijd en over het ontstaan, de groei en de ontwikkeling en de potentiële betekenis van de ‘civil society’ (niet te begrijpen in zijn 19de-eeuwse, liberale betekenis!). Daarvoor valt hij (uiteraard) regelmatig terug op de idee van de sociale driegeleding van Rudolf Steiner, zonder evenwel het merkwaardige en vaak oubollige jargon van de driegeleders te gebruiken. Integendeel: Ben-Aharon goochelt met de hippe, moderne sociologische begrippen als geen ander. Een voorbeeldje: “Zoals de moderne fysica, scheikunde, biologie en kosmologie hebben ontdekt, gaan complexe systemen die in evenwicht zijn of ver van een evenwicht zijn verwijderd door plotselinge bifurcaties, trillingen en snelle schommelingen wanneer zij in de buurt komen van singulariteitsgebieden. […] Alsof door singulariteiten hogere krachten worden opgeroepen, die chaos uitoefenen in stabiele situaties en vormende krachten te introduceren van een of andere meer complexe dimensie. Wanneer complexe systemen een dergelijke zone van instabiliteit en transformatie naderen, kan er spontaan een “fase-overgang” – een sprong van de ene orde naar een andere, van de ene consistentie naar de volgende plaatsvinden.” En hij verwijst daarbij naar wetenschappers als Per Bak en Ilya Prigogine. [Tussen haakjes: ik heb enkele pogingen ondernomen om bovenstaand citaat in het ‘klassiek antroposofisch driegeledersjargon’ te vertalen, maar bij gebrek aan een volledig woordenboek heb ik die pogingen uiteindelijk gestaakt. Ze waren anderszins best hilarisch, zelfs in hun onvolledige vorm …]
De basisvaststelling van Ben-Aharons betoog in dit tweede deel is dat de economische, politieke en culturele structuren van de Westerse maatschappijen hopeloos zijn achtergebleven in vergelijking met de geweldige vooruitgang die zich heeft voorgedaan op natuurwetenschappelijk en technologisch gebied. Op al deze gebieden denkt men over mensen immers nog altijd voornamelijk in termen van collectiviteiten en heeft men zich onvoldoende gerealiseerd wat de toenemende individualisering (in het boek wordt de term vaak afgewisseld met ‘individuatie’, maar taalvastheid is iets wat je de vertalers van dit boek geenszins kunt verwijten!) betekent: “Naarmate de afwijzing om de individuatie te erkennen heftiger is en de bodem waarin zij moet ontkiemen om verder te kunnen groeien harder, zullen de sociale commotie, de chaos en de verwoesting rampzaliger zijn. Bovendien zullen dan de ware aard en de ware vorm van de nieuwe impulsen voor lange tijd vervormd en in het duister gehouden worden.” (blz. 99-100) En hij stelt: “De volgende stap van de individuatie, die de staat decentraliseert naar een vorm van elkaar wederzijds ondersteunen van gedifferentieerde geïntegreerde autonome sociaal handelende personen en sectoren, had al lang gezet moeten zijn. Die zal ervoor zorgen dat de individuatie het volgende niveau van realisatie bereikt, waarin ieder persoon vrij is om direct deel te nemen aan de economische, de politiek-democratische en de cultureel-spirituele sectoren, afhankelijk van zijn of haar behoeften of vermogens. Individuatie wordt in dit stadium een optimaal creatieve en maatschappijvormende kracht.” (blz. 100-101)
Ben-Aharon ziet heel wat mogelijkheden om hier concreet iets aan te doen. Zijn punt is bijvoorbeeld dat globalisering op zich een dankbare en positieve evolutie is, maar dat we nog moeten leren hoe we de voordelen ervan kunnen gebruiken voor het grotere welzijn van de mensheid als geheel (in plaats van voor een elite, zoals dat nu meestal het geval is). De maatschappelijke actoren die het verst hierin zijn gevorderd, zijn de (ontelbare) niet-gouvernementele organisaties, of – zoals de auteur ze liever noemt – de ‘civil society organisaties’. Probleem is echter dat veel van die organisaties zelf nog niet beseffen dat zij een eigen nieuwe status als een onafhankelijke derde sector (t.o.v. politieke en economie) hebben. Vandaar ook zijn vurig pleidooi voor nog meer samenwerking tussen ngo’s, voor nog meer uitwisseling over het internet, voor nog meer gezamenlijke acties enz.
Het blijft echter niet bij een pleidooi. Ben-Aharon beschrijft ook concreet wat er op dit gebied reeds gebeurt en geeft daarbij voorbeelden zoals Seattle en Porto Alegre. Enig optimisme is hem daarbij niet vreemd: “Terwijl het geloof in de universele entropie en de onafwendbare warmtedood van de mens, de door de kosmos gedomineerde thermodynamica en de gehele natuurwetenschap en menswetenschap van het eind van de negentiende eeuw ten einde loopt, is het einde van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw boordevol vitaal dynamisme, in verschijning tredende creativiteit en de wederopstanding van de verwondering en het gevoel voor het heilige.” (blz. 144)
Twee conclusies: wie behoefte heeft aan een dosis positiviteit, hij leze vooral het begin en het einde van dit boek. Ten tweede: als antroposofen, steinerpedagogen of gewoon als alternatievelingen zouden we toch ook eens kunnen beginnen nadenken over onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. En daarbij denk ik dan in de eerste plaats aan (zelf)organisatie en (meer) samenwerking (met anderen).

Werner Govaerts
februari 2005