Het dierbare België
Multicultureel of multi-individueel


(deze recensie verscheen in Motief van juni 2006)

Er is geen twijfel over mogelijk dat de Belgen een heel eigen toon in het koor van de Europese volkeren vertegenwoordigen. Ze zijn op de hen eigen bescheiden manier als mensengemeenschap duidelijk herkenbaar.
Tezelfdertijd wordt het volk geplaagd en verscheurd door de strijd tussen de verschillende taalgroepen, die gedeeltelijk ook in een verschil in doen en laten op andere gebieden dan de taal tot uitdrukking komt. Het is echter juist deze verscheidenheid, die de kans en daarmee de uitdaging biedt voor de individuele bewoners van het Belgische land om op een moderne manier toch een eenheid te creëren. Dat is de boodschap van het boek Het dierbare België dat vorig jaar verscheen.

De auteur Luc Vandecasteele is huisarts en tevens voorzitter van de Antroposofische Vereniging in België. Hij gaat uit van de bewustzijnssituatie in de huidige tijd: elke individuele mens is mondig. Daarbij past dat de gemeenschap (bijvoorbeeld in de vorm van de overheid) dienstbaar is aan het welzijn en de ontwikkelingsmogelijkheid van de individuele burger – en niet omgekeerd. De mondigheid is een vermogen dat van binnenuit komt. Het is voortdurend in wording en maakt dat iemand zich uit vrije keus en initiatief met verschillende groepen kan verbinden. Het is een uitdaging om je niet blijvend te identificeren met datgene wat je van buiten af mede gevormd heeft: etniciteit, nationaliteit, godsdienst, enz. Waar dat wel gebeurt spelen zich rampzalige ontwikkelingen af (Balkan, Noord-Ierland, Israel/Palestina).
De auteur wijst op de problematische kant van de uitdrukking multiculturele maatschappij. Door mensen op deze wijze in groepen in te delen ontstaat het gevaar dat de potentie van het mondige individu uit het zicht raakt. Beter is te spreken van een multi-individuele gemeenschap.
Doordat in het land meer dan één taal gesproken wordt (Vlaams, Frans en een kleine Duitse groep) is het ‘Belg-zijn’ een aangelegenheid die meer bewustzijn oproept. De taalgroepen en het individu krijgen meer aandacht. Sinds vijfentwintig jaar ontwikkelt België de structuur van een federatie met drie gemeenschappen, drie gewesten en een federale overheid. Gemeenschappen en gewesten zijn niet identiek!
De taalgemeenschap blijkt zich vooral in de cultuur te uiten. Waar een taal verloren gaat verdwijnt ook de innerlijke werkelijkheid van een specifieke cultuur. De vrijheid van taal is een individueel recht. Mondigheid (dat zegt het woord al) draagt überhaupt het recht tot spreken in zich. Zo wordt aan de taalgemeenschap bewust dat er een gebied in het maatschappelijke leven bestaat, waar persoonsgebonden aangelegenheden (onderwijs, geneeskunde, wetenschapsbeleid, kunstzinnige creativiteit) door individuele burgers in vrijheid zelf bepaald moeten kunnen worden. De overheid dient daar terug te treden.
Daarnaast bestaan gewesten, die door hun ligging of hun bodemgebruik bij uitstek een bijdrage aan het economisch aspect van de samenleving leveren. In een land kunnen gewesten een broederlijk samengaan nastreven.
Tenslotte is er de federale overheid. Die regelt alle zaken die niet aan gewesten of gemeenschappen gebonden zijn, garandeert dat in principe de burgers gelijke rechten hebben en zorgt bijvoorbeeld voor de financiering van de sociale zekerheid, voor de politie, defensie en buitenlandse zaken. De staatsoverheid beheert het rechtsleven.
Door deze indeling in België van een federale staat met gemeenschappen en gewesten is er een driegeleding ontstaan, die op archetypische wijze de drie idealen van de Franse revolutie (vrijheid, broederlijkheid en gelijkheid) als kiem in zich draagt. 
Het boek laat zien hoe door de loop der historie zo’n geniale ingreep in dit land is ontstaan en op velerlei niveau ook gerealiseerd. Vervolgens wordt het concept in zijn ideeënstructuur uitgewerkt en aan de politieke werkelijkheid getoetst. Systemen als kiesdrempel, partijdiscipline, stemplicht en het referendum als definitieve emancipatie van de individuele burger worden besproken. Als denkoefening komen vragen aan de orde zoals: in welk gebied horen gezinsbeleid, werkgelegenheid, gezondheidszorg thuis? Vaak blijkt het inhoudelijk aspect bij de gemeenschap in de beste handen te zijn, terwijl de sociale en financiële garantie vooral opgave van de federale overheid kan zijn. De mondigheid groeit, wanneer men het oordeelsvermogen aan deze vraagstellingen oefent, alleen al daarom is de lectuur van het boek aan te raden. Maar ook is het leerzaam te zien, hoe met de gedachte van de sociale driegeleding opbouwend kan worden omgegaan in plaats van negatief maatschappijkritisch.
Al lezend komen moeilijke én positieve situaties elders in de wereld in je op, die door de Belgische worsteling en wat daaruit voortkomt, in een nieuw licht te staan. In zekere zin heeft de eenheid in verscheidenheid die hier nagestreefd wordt, een voorbeeldkarakter voor Europa als totaliteit. Misschien is het daarom helemaal niet zo gek dat het bestuur van de EU in Brussel zetelt!

Joop van Dam
2006