Bronnen van het christendom

In het najaar van 2007 verscheen bij Christofoor een boek van 3 auteurs: Bastiaan Baan, Christine Gruwez en John van Schaik. De eerste is priester in de Christengemeenschap, de tweede is cultuurfilosoof en publicist, de derde godsdiensthistoricus en directeur van het Origenes-Instituut en hoofdredacteur van Bres. Samen hebben zij het over drie stromingen in het christendom: het petrinische, het paulinische en het johanneïsche christendom.
In het woord vooraf waarschuwt de uitgever ons dat de drie keer drie bijdragen neerslagen zijn van een voordrachtenreeks over hetzelfde thema en dat de drie auteurs ook duidelijk een eigen stijl en hier en daar zelfs een eigen woordenschat bezigen. Wie daar aanstoot aan neemt, zo wordt gezegd, kan misschien de bijdragen per auteur lezen in plaats van in de volgorde van het boek.
Die volgorde is een ietwat chronologische volgorde. In een eerste deel bespreken de drie auteurs drie verschillende vormen van messiasverwachting in de voorchristelijke tijd. In een tweede deel gaat het over de drie apostelen Petrus, Paulus en Johannes zelf. En in een laatste deel worden de vroegchristelijke stromingen die op deze apostelen voortgaan, besproken.
Zelf heb ik het boek netjes in de volgorde van de afgedrukte pagina’s gelezen, maar ik zal de bijdragen per auteur bespreken, aangezien die indeling mij bij het lezen toch is opgevallen.

De wetenschappelijke insteek
John van Schaik gaat te werk volgens een moderne wetenschappelijke methode. Hij verzamelt gegevens, doet een groot beroep op voorkennis van de lezer, legt zelf weinig verbanden en voorziet veel verwijzingen naar bronnen en naar andere auteurs. In een eerste bijdrage heeft hij het over de twee messiasverwachtingen in het Oude Testament: de Messias-ben-Jozef en de Messias-ben-David. Hij verbindt deze trouwens met de van elkaar verschillende geslachtslijsten van Jezus in de evangeliën volgens Lukas en Mattheüs. De joden keken volgens dus uit naar een lijdende Messias-ben-Jozef en een strijdende Messias-ben-David, respectievelijk de priester-profeet en de koning.
In een tweede bijdrage gaat van Schaik op zoek naar wie Petrus was. Hij doet dat door sporen van de apostel op te zoeken in teksten van en over hem. Op die manier wordt de levensloop van Petrus gereconstrueerd. Ondertussen leren we over de evangeliën van de Nazoreeërs, Ebionieten en Hebreeën, over het Diatesseron en de Handelingen van Thomas. Er wordt vastgesteld dat Petrus ten opzichte van Paulus en Johannes het meest in de traditie van het klassieke jodendom staat en dat vrijwel alle christelijke kerken in hem hun fundament zien.
In een derde bijdrage gaat het over het petrinische christendom als enkratisme: “De enkratieten zijn een bepaalde groep joden-christenen die menen door middel van een zeer strenge ascese Jezus na te volgen (enkratiet komt van het Griekse enkrateia, dat is zelfbeheersing).” Het is de weg van (de beheersing van) het lichaam: enkratieten zoeken God door middel van de onthouding. Van Schaik vervolgt deze petrinische stroom van Simeon de Pilaarheilige, over Alexis tot bij Franciscus van Assisi.
De teksten van John van Schaik zijn hoekig en behoren tot de moeilijkere soort. Hij heeft natuurlijk zijn thema’s niet mee: het klassieke jodendom, de petrinische katholieke kerk, de armoede van Franciscus, het zijn niet de onderwerpen waarmee je in de eenentwintigste eeuw kunt scoren …

De mysteriën vroeger en nu
Christine Gruwez schrijft in de van haar bekende suggestieve en warme stijl, die de lezer noodzaakt om zelf in beweging te komen. De historische gegevens vormen geen waarde op zich, maar worden steevast gebruikt om op de weg van de eigen ontwikkeling kleine stapjes vooruit te komen. Haar schrijfstijl is onderzoekend, zoals zij trouwens ook de lezer vragend en onderzoekend benadert. In een eerste bijdrage – over de messiasverwachting in Griekenland – wijdt Gruwez ons in de Griekse mysteriën in. “Inwijding betekent dat je iemand anders wordt. […] Door de wezensverandering […] word je méér jezelf. In jou wordt dan datgene geboren waardoor je als mens iets kunt ontwikkelen wat zich van nature niet kan ontwikkelen.” De kleine en de grote mysteriën komen aan bod, maar ook het mysterie van de Logos. Het begrip logos kon zich in de mysterieplaatsen ontwikkelen, niet alleen als een begrip dat gedacht kon worden, maar als een begrip dat tevens drager was van een levende werkelijkheid. Christine Gruwez: “Omdat het Grieks zo’n grote verspreiding heeft gekend, was dit woord voor zeer velen inderdaad een levend begrip op het moment dat de logos op aarde kwam en onder de mensen leefde. Niemand hoefde te zoeken naar de betekenis van dat woord, het was in de Griekse cultuur voorbereid, het had een inhoud en het kwam uit een taal die door het merendeel van de mensen werd gesproken.” Tot slot zullen we ook de opmerkingen over de Griekse taal, als waardevolle bijdrage tot de ontwikkeling van het christendom, niet vergeten.
Gruwez’ tweede bijdrage gaat over Saulus, die Paulus werd. Ook hier gaat het over een inwijding (en niet enkel over een ‘bekering’). Volgens Gruwez staat Paulus qua levenservaring dicht bij de hedendaagse mens, namelijk door de bij hem aanwezige dialectiek tussen kracht en zwakte. Herhaaldelijk tref je bij Paulus aan dat hij zegt dat Christus in hem kan binnentreden, niet omdat hij zo krachtig is, maar omdat hij zo zwak is. “Het is mijn zwakte die mogelijk maakt dat Christus in mij binnentreedt. Niet mijn zwakte zoals die zich in mij uitleeft, maar de zwakte die ons, hoewel wij het goede willen, het kwade laten doen, zodat ik mij voortdurend betrap op mijn onvolkomenheid. Dat is wat Paulus de zwakte noemt, de onmacht. Deze onmacht in de ogen te kijken maakt mogelijk dat Christus in mij kan binnentreden als kracht. Maar dan is die kracht niet de mijne, maar opnieuw: Christus in mij.” Het thema van de onmacht vinden we ook in Gruwez’ boek Tijdgenoten onderweg! Tot slot, en als voorbereiding op haar derde thema, heeft Christine Gruwez het over Paulus’ optreden op de Areopaag in Athene.
In haar derde bijdrage gaat ze daarop voort: Dionysius de Areopagiet was een van de weinige aanwezigen in Athene die Paulus niet bespotten. Via de geschriften van de Areopagiet, en ook de geschriften die aan hem werden toegekend, maar later aan de Pseudo-Areopagiet werden toegeschreven, komen we op het spoor van het mysterie van de geestelijke hiërarchie(ën). Een innerlijk stil/leeg worden is voorwaarde om cultisch werkzaam te kunnen zijn. Ook hier vinden we meer dan een aansluitingspunt bij Tijdgenoten onderweg.

Een geestelijke want johanneïsche benadering
Bastiaan Baan is de auteur die voor antroposofen het meest herkenbaar is. Rudolf Steiner is in deze teksten ook manifester aanwezig dan in de bijdragen van de twee andere auteurs. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld in zijn eerste bijdrage vrij uitvoerig hoe de mededelingen van Rudolf Steiner over de messiasverwachting bij de Essenen door latere archeologische vondsten (de beroemde Dode-Zeerollen) werden bevestigd en gedocumenteerd. Bekend is ook dat Steiner beschreven heeft hoe Jezus in zijn jeugd bij de Essenen geweest is, maar vaststelt dat de bron van hun geloof is  opgedroogd. “Jezus herkent dat deze gemeenschap het kwaad letterlijk buitengesloten heeft en daarmee de rest van de mensheid heeft overgeleverd aan deze tegenstandermacht. De leden van deze gemeenschap ontwikkelden zich ten koste van de rest van de wereld.” Dat zal hem mede aansporen om radicaal de tegenovergestelde weg te bewandelen: “Jezus weet dat er geen andere weg is dan je onvoorwaardelijk, met de beste intenties, met het boze te verbinden.”
In zijn bijdrage over de apostel Johannes gaat Bastiaan Baan uit van de onwaarschijnlijke volmaaktheid van de evangelist: “Dat is de eigen aard van Johannes: Johannes schrijft – lijkt het – een volmaakt evangelie en Johannes is – lijkt het – een volmaakt mens.” Verder leidt Baan via een uitgekiende juxtapositie van teksten en feiten de gedachte in dat Lazarus en Johannes één en dezelfde persoon zijn. Verder valt op dat Johannes zowel de adelaarsblik heeft, die hem in staat stelt om in de meest eenvoudige bewoordingen toch het meest volledige relaas van het leven van Jezus te geven, en tegelijk meer dan de andere evangelisten ook de gemoedsbewegingen van Jezus – zijn verdriet, zijn hartstocht – laat zien.
De derde bijdrage van Bastiaan Baan gaat over Origenes, een belangrijke vertegenwoordiger van het vroege pneumatische (johanneïsche) christendom. Na het relaas van Origenes’ bewogen leven, gaat Baan in op het denken over de bijbel, zoals Origenes dat heeft beschreven. Het leren niet-materialistisch interpreteren van de bijbel is voor onze moderne tijd opnieuw van groot belang!

Besluit
Een uitgever die een boek uitbrengt dat door meer dan één auteur geschreven is, neemt een groot risico. Zijn uitgave zal geen monografie zijn; lezers dreigen af te haken doordat hen geen eenvormig, eenduidig verhaal wordt verteld.
En het is waar: ook dit boek vergt van de lezer meer eigen (denk)inspanning dan een boek dat je meeneemt in de gedachtestromen van één auteur. De uitdaging van een boek als dit is om je via de drie auteurs en drie stijlen in te leven in de beschreven drie christelijke stromingen. Voor mij was dat het moeilijkst voor de petrinische stroom, maar dat zal zeker evenveel aan mijzelf liggen als aan John van Schaik die deze stroom beschrijft.

Werner Govaerts
januari 2008