Mystiek en het moderne denken

Uitgeverij Kamerling (Zutphen, NL) heeft voor de opvulling van een reeds lang bestaande lacune gezorgd met de vertaling van een van Rudolf Steiners minder bekende maar daarom niet minder belangrijke geschreven werken, nl. Die Mystik im Aufgange des neuzeitlichen Geisteslebens und ihr Verhältnis zur modernen Weltanschauung (GA7). Het belang van dit boek kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het aantal keren dat ernaar verwezen wordt in ontelbare andere boeken en artikels over antroposofie.
Steiner publiceerde dit boek in 1901. Het vormt een overgang tussen Steiners filosofische en wetenschappelijke periode en zijn antroposofische levensperiode. Het is een van de eerste keren dat Steiner in het openbaar tracht om een brug te leggen tussen de natuurwetenschappen, in dewelke hij gevormd en opgeleid is, en de geestelijke ervaringen, die hij reeds van in zijn jeugd had en die hij met een natuurwetenschappelijke gezindheid wil onderzoeken.
In die zin is het boek een welkome aanvulling op Steiners Filosofie van de vrijheid. Terwijl hij in dit laatste boek eerder filosofisch en abstract over het denken en over de vrijheid spreekt en slechts in de laatste hoofdstukken – wanneer veel lezers al hebben opgegeven – laat doorschemeren welke gigantische perspectieven zich door deze vrijheidsfilosofie voor de mensheid openen, schrijft Steiner in Mystiek en het moderne denken veel concreter over denkervaringen, meditatie, moraliteit, enz. Hij doet dit voornamelijk aan de hand van de bespreking van een aantal mystici uit het verleden, bij wie hij eerste tot vergaande vormen van vrij denken ontwaart. Het gaat concreet over meester Eckhart, Tauler, Cusanus, Paracelsus, Böhme, Giordanoe Bruno en Angelius Silesius.
Rudolf Steiner schrijft dit boek voor een gecultiveerd publiek: er wordt geen woord uitleg verspild aan de inleiding of de beschrijving van bovengenoemde personen – zij worden als bekend verondersteld. Wat Steiner hier doet, is een dimensie toevoegen aan wat zij geschreven of gedaan hebben. Voor wie niet bekend is met deze personen, is Steiners boek vaak moeilijk te verteren.
Zelf ben ik vrij vertrouwd met de persoon van Cusanus (Nikolaus von Kues). Twee jaar geleden heb ik in het Duitse Moezelstadje Bernkastel-Kues trouwens zijn nog steeds bewaarde bibliotheek bezocht, na de lectuur van de schitterende biografie Nikolaus von Kues van E. Meffert (Stuttgart, 2002). [Er zijn trouwens nog andere goede redenen om dit Moezelstadje te bezoeken …] Cusanus’ belangrijkste werk is De docta ignorantia: de leer van het niet-weten, of de geleerde onwetendheid. Steiner toont aan hoe Cusanus het hier in feite heeft over wat hijzelf in zijn Filosofie van de vrijheid het ‘reine denken’ noemt. Een citaat:
«Het lagere weten is het begrijpen van een onderwerp door de geest. Dit weten kenmerkt zich doordat het inzicht geeft in iets buiten zichzelf, dat het dus kijkt naar iets dat het zelf niet is. In het weten is de geest bezig met dingen die hij buiten zichzelf denkt. Maar datgene wat de geest in zichzelf vormt over de dingen, is hun wezen. De dingen zijn geest. De mens ziet in eerste instantie de geest door een zintuiglijk hulsel. Wat buiten de geest blijft, is slechts dit zintuiglijk hulsel. Het wezen van de dingen trekt in de geest binnen. Als de geest dit weten bekijkt, stof van zijn stof, kan hij niet meer van weten spreken, want hij kijkt niet naar een ding buiten zich. Hij kijkt naar een ding dat deel van hemzelf is, hij kijkt naar zichzelf. Hij weet niet langer, hij kijkt slechts naar zichzelf. Daarom is dit geen “weten” doch een niet-weten. Hij begrijpt niet langer iets door de geest, maar “schouwt, zonder te begrijpen” zijn eigen leven. Dit hoogste niveau van kennen is, in verhouding tot lagere niveaus, “niet-weten”. Het is echter duidelijk dat het wezen van de dingen alleen bereikt kan worden door dit niveau van kennen. Nikolaus von Kues bedoelt met zijn geleerde onwetendheid dus niets anders dan het door innerlijk beleven herboren weten.»
In Mystiek en het moderne denken zien we nog een Steiner die vijandig staat tegenover het (christelijk) geloof. Zo spot hij bijvoorbeeld met Cusanus die wél in staat was tot bovengenoemde gedachten, maar in kerkelijke dogma’s verviel vanaf het moment dat hij begon te vertellen over zijn eigen ervaringen met dit ‘schouwen’. Steiner is ongemeen streng voor de mystici die hij beschrijft, en noemt dit zelfbedrog. (Slechts een jaar later, in 1902, zal Steiner in zijn boek De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid het christendom positiever bejegenen, als een openbaarmaking van de inwijdingskennis zoals die in de Egyptische en Griekse mysterieplaatsen gecultiveerd werd).
Omdat het boek expliciet een brug wil bouwen tussen natuurwetenschap enerzijds en hogere, bovenzintuiglijke kennis anderzijds, is het niet alleen van belang voor beslagen antroposofen maar vooral ook voor onbevangen zoekers naar nieuwe kennis en nieuwe inzichten met betrekking tot filosofie, religie en wetenschap.

Werner Govaerts
september 2004