Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën

Geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de boeken Der andere Rudolf Steiner (Wolfgang Vögele) en het boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën (Sergej Prokofieff, Perun, 2005). Ik heb ze na elkaar gelezen en ik heb ze ook beide kunnen appreciëren. Wellicht is dat een verworvenheid van ons bewustzijnszieletijdperk, dat het ons mogelijk maakt geheel verschillende en zelfs tegenstrijdige zaken toch in één blik te vatten en van beide de waarde in te zien.
Vögele laat tijdgenoten van Rudolf Steiner aan het woord. De meesten zijn niet-antroposofen, waardoor we van Steiner een zeer wereldse beschrijving krijgen. Vooral zijn sociaal leven wordt er belicht en er ligt ook een duidelijke klemtoon op zijn jeugd en op het begin van de twintigste eeuw.
Prokofieff neemt daarentegen een uitermate spiritueel standpunt in en beschrijft het leven van Rudolf Steiner als een door een kunstenaar ontworpen en gemaakt kunstwerk. In een periodisering van 3 x 21 jaar en binnen elke periode nog eens 3 x 7 jaar schetst Prokofieff een indrukwekkend beeld van Rudolf Steiner als ziener, als ingewijde, als mensheidsleraar.


Inhoud van het boek van Prokofieff
In het eerste deel van zijn vuistdikke boek beschrijft Prokofieff de innerlijke inwijdingsweg die Rudolf Steiner zelf gevolgd is. Het is een christelijke rozenkruisersinwijding, waarvan Prokofieff aan de hand van citaten uit voordrachten en boeken van Rudolf Steiner, maar ook aan de hand van uiterlijke, wereldse daden en handelingen die Steiner verrichtte, de details probeert te achterhalen. Hij doet dit bijzonder grondig en bewijst dat hij een kenner is van het hele levenswerk van Steiner, maar ook van het christendom en meer uitgebreid van de hele wereld van de geest.
In Prokofieffs boek krijgen vooral de jaren na 1913 (grondsteenlegging van het eerste Goetheanum) veel aandacht. Het is een beschrijving van hoe Steiner langzaamaan niet alleen meedeelt wat hij zelf aan kennis uit de geestelijke wereld heeft verworven, maar zich ook meer en meer verbindt met de wereld. Dit gebeurt in verschillende stadia: de bouw van het eerste Goetheanum, de sociale impuls en de inauguratie van talloze antroposofische werkgebieden, de Kerstconferentie van 1923 en Steiners eigen ziekte, lijdensweg en heengaan.
Het tweede deel van Prokofieffs boek begint met een hoofdstuk dat gewijd is aan het eerste Goetheanum. De auteur plaatst de bouw van dit Goetheanum in een zeer ruime context, waarbij hij gaat van de architectonische en sociale ontwikkeling sinds de oude Grieken tot de vorige incarnaties van Rudolf Steiner, hun betekenis voor het Goetheanum en voor de antroposofie en hun samenhang met de Grondsteenspreuk, die werd uitgesproken bij de oprichting van de Antroposofische Vereniging tijdens de Kerstconferentie van 1924. In al deze diep-esoterische beschrijvingen is de Christus-impuls expliciet aanwezig, als overgang van de geboorte- naar de doodsmysteriën, maar ook als fundament voor de nieuwe inwijding. Prokofieff gaat ook uitermate diep in op de brand van het eerste Goetheanum (en de vernietiging ervan): aan de hand van Steiners voordracht op de avond van de brand zelf, maar ook op basis van wat Steiner daar nadien over gezegd heeft, bouwt hij een machtig beeld op van een Michaëlische cultuurgebeurtenis, maar ook van Rudolf Steiner als ingewijde uit de kring van de Meesters van wijsheid en samenklank der gevoelens. De hemelse alchemie die Rudolf Steiner na de brand van het eerste Goetheanum heeft uitgevoerd, kan alleen maar een diep gevoel van eerbied voor deze daden in ons wakker roepen, alsook een besluit aanmoedigen om “trouw te blijven aan de geestelijke impulsen die hun uiterlijke vorm in dat [eerste] Goetheanum hebben gehad.” (woorden van Rudolf Steiner, Dornach, 31 december 1923, precies een jaar na de brand)
Het vijfde hoofdstuk gaat over de Kerstconferentie 1923/24. Vanaf hier begreep ik waarom Prokofieff in zijn woord vooraf gewaarschuwd had dat het hier een boek voor antroposofen betreft, dat wil zeggen voor mensen met een ruime voorkennis inzake antroposofie, het antroposofisch mensbeeld, de Christusimpuls, de biografie van Rudolf Steiner enz. Blijkbaar voldeed ik voor de eerste vier hoofdstukken aan al die voorwaarden, maar aangezien ik tot nog toe vrij onbekend was met de inhoud van de Kerstconferentie, leek het lezen van dit hoofdstuk op het lezen van een uitgebreide recensie van een film die ik zelf niet gezien had. En hoewel de recensie uiteraard de plot in grote lijnen wel verraadt en er tussen de lijnen ook nog veel kan worden gereconstrueerd, blijven de details en de finesses toch verborgen als men de film zelf niet kent. Dit hoofdstuk zal ik dus zeker moet herlezen nadat ik me in de Kerstconferentie zelf verdiept heb. In algemene lijnen kan ik hierover enkel zeggen dat Prokofieff in de opbouw van de Kerstconferentie een parallel ziet met de moderne christelijke rozenkruisersinwijding en dat hij Rudolf Steiner de grondlegger van deze nieuwe inwijdingsweg noemt, aangezien hij hem niet alleen zélf gegaan is tijdens zijn leven, maar hem ook voor de eerste keer openlijk onder de mensen (die aanwezig waren op de Kerstconferentie) op het fysieke plan heeft verwezenlijkt als occult-sociale handeling. Verder wordt de Kerstconferentie hier als iets beschouwd wat niet alleen een eenmalige gebeurtenis is die op een bepaald tijdstip van de wereldontwikkeling heeft plaatsgevonden, maar als iets wat nog steeds werkzaam is en als het begin van een reële geestelijke weg, zowel voor iedere individuele leerling van de geest als voor de antroposofie. Een citaat: “Als we naar de qua omvang en diepte ongekende voordrachtsactiviteit kijken die op de Kerstconferentie (1923) volgde, als we ons duidelijk voorstellen wat het betekent om in minder dan negen maanden 338 voordrachten en 68 redevoeringen te houden op bijna alle gebieden van het menselijke weten en daarmee elk gebied apart om te vormen en met machtige, naar de toekomst strevende impulsen te vervullen, als we eveneens de hele diepte en de onafzienbare geestelijke horizonten in ogenschouw nemen, die zich sindsdien voor de antroposofen en via hen voor de gehele mensheid openden, dan zullen we pas kunnen begrijpen wat hier toen is gebeurd.” (blz. 151)
In het zesde hoofdstuk ontleedt Prokofieff de Grondsteenspreuk van regel tot regel, van deel één tot deel vier en terug. Ook hier geldt: voor wie niet vertrouwd is met (het jargon van) de geesteswetenschap, zal al deze informatie onvermijdelijk zeer cryptisch blijven. Maar voor wie redelijk vertrouwd is met de antroposofie, zijn de verschillende zienswijzen die de auteur aansnijdt, en de manier waarop hij ze weer tot een eenheid verbindt, niet alleen ontzagwekkend, maar tegelijk een grote hulp en steun in het zelf leren omgaan met deze meditatietekst. De talrijke verwijzingen naar Steiners werken, de verklarende noten die hier soms een omvang van twee volle bladzijden klein gedrukte tekst bereiken, bieden naast de hoofdtekst nog bijkomende aanwijzingen voor verder onderzoek en studie.

Impressies
Wat mij bij het lezen van dit boek steeds duidelijker voor ogen stond, was dat wij als antroposofen nog veel te veel vanuit een angstige underdog-positie in de maatschappij staan, ons (te) onbewust van de ontzaglijke kwaliteiten die de antroposofische initiatieven en werkgebieden in de wereld vertegenwoordigen. In die zin was het lezen van dit boek voor mij een ware Pinkster-gebeurtenis, die mij heeft aangemoedigd om opnieuw en zonder schroom te spreken over en te handelen vanuit mijn verbondenheid met de antroposofie, en dus ook met Michaël en Christus. Ook Prokofieffs woordgebruik (michaëlische ridders, missie in de mensheid, enz.), dat mij in het begin vaak stoorde en bombastisch of ijdel voorkwam, kreeg naar het einde van het boek toe een (diepere) betekenis, waarbij ik mij kon bevrijden van de emotionele interpretatie van deze termen en er de spirituele draagwijdte van begon te bevatten.
De Michaëlische impuls is het thema van het derde deel en zevende hoofstuk van het boek: ‘Antroposofie als wereld-pinkster-boodschap’. Hierin herinnert Prokofieff aan de opdrachten die Steiner aan de antroposofen heeft gegeven, opdat de antroposofie aan het einde van de twintigste eeuw haar toppunt van verbreiding in de wereld zou vinden. Daartoe moeten aristotelici en platonici met elkaar samenwerken om de grote Parcival-Michaël-vraag van deze tijd op te lossen, namelijk: hoe kan de aan de mensen gegeven kosmische intelligentie in vrijheid opnieuw aan Michaël worden teruggegeven? Met andere woorden: hoe kan onze intelligentie zich bevrijden uit onze hoofden, hoe kan ons denken weer etherisch worden?
Het boek wordt afgesloten met een kort stukje biografie waarin Prokofieff de weg beschrijft die tot dit boek heeft gevoerd. Het is vooral een leesbiografie: nauwkeurig vermeldt Prokofieff in welke volgorde hij Rudolf Steiners werken ontdekt heeft en welke invloed dat gehad heeft op zijn eigen spirituele ontwikkeling. In dit stuk verklaart hij ook de opbouw van zijn boek, dat als een zeer optimistische en hoopgevende kijk op de antroposofie en de betekenis ervan in de wereld kan worden beschouwd.
Of de auteur dan de realiteit niet kent? Hierop antwoordt Prokofieff in zijn nawoord bij de tweede druk: “Het feit dat de auteur de aardse problemen die met de realisatie van de impuls van de Kerstconferentie als centrale antroposofische impuls samenhangen, bijna niet aanroert, heeft gegronde redenen. Deze bestaan erin dat de auteur in zijn werk het genoemde thema niet vanuit een uiterlijk historisch gezichtspunt bekijkt, maar vanuit een occult gezichtspunt. […] Daarmee wordt het hele complex aan problemen die met de verwezenlijking van de impulsen van de Kerstconferentie samenhangen, van meet af aan overgebracht naar het gebied waar exoterische begrippen als ‘gelukt’ of ‘mislukt’ hun betekenis geheel en al verliezen. De enige realiteit in dit gebied is het ‘mystieke feit’ van de onophoudelijk werkzame levende geestimpuls die zijn oorsprong heeft in datgene wat met Kerstmis 1923 in Dornach heeft plaatsgevonden. Want dit gebeuren is niet iets ‘vergankelijks’, maar iets wat geestelijk aanwezig is, waar iedere antroposoof op ieder ogenblik van zijn leven toegang toe kan krijgen, wanneer hij maar het occulte standpunt inneemt, dat in dit geval het enige juiste is.”

Conclusies
Dat Prokofieff dit werk als twintiger geschreven heeft, is net zo ongeloofwaardig, maar ook net zo bewonderenswaardig als dat Rudolf Steiner op jonge leeftijd de Filosofie van de vrijheid heeft geschreven. Beiden kunnen voor ons als voorbeeld dienen om resoluut een michaëlische weg in te slaan, om te zeggen wat we te zeggen hebben en dat te doen in een vorm die bij ons past, zonder (valse) schroom, maar met een onbegrensde eerbied voor het bestudeerde onderwerp. Bij Steiner was dat in casu de menselijke ziel en de plaats van het denken daarin; bij Prokofieff was dat de persoon van Steiner zelf en de betekenis van de antroposofie voor de ontwikkeling van de mensheid.
Het boek van Prokofieff heeft mij persoonlijk geholpen door de recente crisis van de Rudolf Steineracademie te komen. Als je bij hem leest hoe Steiner omging met het afbranden van het Goetheanum (nadat je gelezen hebt wat voor offer Steiner gebracht had voor het realiseren daarvan), dan word ik daarvan niet alleen bescheidener en relativerender ten opzichte van het wegvallen van enkele miljoenen (franken) subsidies, maar het heeft in mij ook de kracht gewekt om door te gaan met mijn impuls om de antroposofie in deze wereld de plaats te geven die ze verdient, in het volle besef dat dit een moeilijke opdracht is, waarbij je voortdurend tegen de stroom in moet roeien, vaak zelfs tegen de stroom van de antroposofen zelf!

Werner Govaerts
2005